Vroeger

2 april 2021
tekst en foto: Henk Martens

“Vroeger was alles beter”. Nou, daar geloof ik niet direct in. Vroeger was alles anders. Dan wil ik het nog niet hebben over de maatschappij. Maar laten we het eens over het voetballen hebben. Ik was nog maar net uit de wieg gestapt of ik kwam al in aanraking met een bal. Tenminste, dat vertelde mijn moeder een keertje, lang geleden. Ik lag op de grond om een schone luier te krijgen, wie kent ze nog: die ouderwetse luiers van vroeger die nog gewassen werden. Maar mijn moeder wilde een luier pakken, toen draaide ik snel om want dáár lag een bal, daar moest ik heen.

Op school was ik ook één en al voetballen. Leren? Welnee, dat was niet nodig, ik word toch profvoetballer, dacht ik. Op het schoolplein voetballen, dat mocht niet van de hoofdmeester, want het was veel te druk op het schoolplein en dan konden er wel eens ongelukken gebeuren. Dus pakte de hoofdmeester mijn bal af, zodat er gestopt werd met voetballen. Maar het was mijn bal en die liet ik niet zomaar afpakken. Ik probeerde de bal weer terug te pakken maar de hoofdmeester was natuurlijk sterker en duwde mij weg. Daardoor kwam ik ten val met mijn hoofd tegen het hekje. Ik bloedde als een rund, dus grote paniek. Gelukkig heb je dan altijd weer zo’n lieve juffrouw die je komt helpen. Toch maar even naar de GGD. Verbandje er om en ik was de held van de school toen ik terugkwam. Maar niet bij de hoofdmeester. “We gaan samen naar je vader”, waren zijn woorden. Wat denk je toen ik thuiskwam met de hoofdmeester: “O wat is er gebeurd en wat erg”. Mooi niet, straf kreeg ik en het was mijn schuld. Want de hoofdmeester van de Nederlandse Hervormde School aan de Weeshuislaan werd natuurlijk geloofd. Ik vraag mij af, zouden ouders nog zo redeneren?

Ik wilde ook dolgraag op een echte voetbalclub. Lekker trainen en wedstrijden spelen met echte voetbalkleding en voetbalschoenen, met van die dopjes. Dat was het, dat wilde ik. Nu was mijn vader ook een groot liefhebber van voetballen en tevens een goede voetballer, maar meer een voetballer zoals Johan Neeskens. Een speler die je paar keer moest passeren, voordat je van hem af was. Ik niet, ik was een echte linksbuiten, puur aan de linkskant op volle snelheid en dan heerlijk voorzetten geven. Maar al bleef ik maar zeuren om samen een keertje te gaan kijken, mijn vader ging niet mee, hij moest altijd maar werken. Dan maar zelf op onderzoek uit.

Op een zaterdag ging ik naar de velden achter het Slot. Daar speelde een elftal in groene shirts en het andere elftal in het ongelofelijk paarse shirt. Nu was paars al mijn lievelingskleur en dan hier een heel elftal in paarse shirtjes zien! Vol verwondering bleef ik staan kijken, misschien wel met open mond. Toen kwam er een keurige meneer naar mij toe, later bleek dat de heer Hensbergen, de jeugdvoorzitter van s.v. Zeist. Of was het Herbert van Rees? “Kom gezellig bij onze club”, zei hij natuurlijk. “Hier, vul dit papier maar in en laat het je ouders tekenen want die moeten ook je contributie betalen”. Ja, daar kwam het moeilijke punt. Betalen van je contributie plus je voetbalkleren, voetbalschoenen. Kom daarmee maar eens thuis.

Enthousiast vertelde ik het eerst aan mijn moeder, die vond het gelukkig allemaal goed. Maar mijn vader moest het ook goed vinden en betalen. Nou voor dat betalen had ik al een oplossing gevonden. Na schooltijd een krantenwijkje. Want mijn vader liep na zijn normale werk ook in de vroege ochtend maar ook in de middag krantenwijken. Misschien kon ik dan wel een wijkje van hem overnemen. Het Utrechtse Nieuwsblad, ik weet nog welke wijk, dus een mooie oplossing. Het begon op de Donkerlaan (heet nu Slotlaan), Jufferstraat, Herenlaan, Nooitgedacht, Laan van Beek en Royen, Karpervijer, Broederplein, Zusterplein en de Brouwerij. Aan de Brouwerij woonden mijn Opa en Oma, daar was ik altijd als laatste, waar ik de krant bracht. Ik kwam daar elke dag en altijd stond mijn Oma klaar met een snoepje, reepje Kwatta, nogablokje of wat dan ook.

Maar goed, ik moest nog aan mijn vader toestemming vragen. En mijn vader was een echte Patria man, een echte gladiool (zo werden toen de Patrianen genoemd). Het ging mijn vader moeilijk af, maar hij deed het! Nee hij ging echt niet mee om het papier te tekenen en af te geven, dat moest ik maar zelf regelen. Wat hij wel weer deed, dat was samen voetbalkleding gaan kopen. Ik weet het nog, op de hoek Rozenstraat - Voorheuvel, volgens mij heten ze v.d. Top, die sportzaak. Vol trots stapte ik uit de zaak met echte voetbalschoenen, voetbalbroekje, mooie paars-witte kousen en dat prachtige paarse voetbalshirt. We stapten de winkel uit en ik dacht: we gaan nu lekker aan de overkant bij bakkerij Moens zo’n echte spoorpunt (van 10 cent = van de Nederlandse Gulden) halen, want daar waren we beiden gek op. Maar niks, gelijk naar huis. Mijn vader zei toen we de winkel uitstapten: “Je hoeft het in huis niet te laten zien, want paars hoort niet in het huis, maar jij wilt dit zo graag en omdat je moeder het ook wilde, mag het”.

Het feest kon gaan beginnen. Nu was ik wel even vergeten dat ook op zaterdag de kranten bezorgd moesten worden. Want op zaterdag werd er natuurlijk gevoetbald. Dus kwam het er vaak op neer dat ik na een voetbalwedstrijd de kranten nog moest wegbrengen. Waarbij ik dan weer het geluk had dat de laatsten mijn Opa en Oma waren. Die dan zagen dat ik doodmoe was. Een lekker stukje worst of soms wel een boterham, een pruim of een peer of appel allemaal uit tuin van Oma en Opa op de Brouwerij, dat maakte alles weer goed.

Nu was ik ook wel een trainingsbeest. Altijd aanwezig op de training. Helaas was het maar één per week trainen bij de voetbalclub, dus de rest maar thuis. Met een kleine tennisbal, daar leer je het beste mee. Maar vooral met je rechtervoet, had de trainer gezegd. Ik woonde toen aan de Kritzingerlaan 2 en achter hadden wij een binnenplaatsje, daar kon ik mij uitleven. Maar met dat rechtervoetje ging het niet best. Dat kostte weleens een ruitje van het achterraam of deur.

Rond mijn 17de speelde ik bij de junioren van s.v. Zeist. Ook toen was er een dik tekort aan scheidsrechters bij de wedstrijden. Wij hebben ons toen opgegeven voor de scheidsrechterscursus. Wij waren: Cees Doeser, Herman Meier en Henk Martens. Als scheidsrechter moest je toen 18 jaar zijn om een wedstrijd te mogen fluiten. Op 14 september 1964 begon de cursus voetbalscheidsrechter. Examen deed ik op 22 oktober, in het Haagsche Koffiehuis, Vredenburg 17, Utrecht. Mijn eerste wedstrijd was: 21 november 1964: Valleivogels.2 – SDCP.4 in Scherpenzeel en toen was ik nog maar 17 jaar, want 16 dagen later werd ik pas 18. Maar de zondag 22 november gelijk weer een wedstrijd: Odijk.2 – SVF 3. Ze hadden een uitzondering voor mij gemaakt. Blijkbaar vonden de heren mij een talent. Want ik mocht naar het Scheidsrechters Internaat te Overveen ( 4 aug. t/m 9 aug. ’69). Op 18 september 1972 ben ik gestopt als scheidsrechter. Een prachtige tijd om nooit te vergeten. In de periode erna werd ik ook nog competitieleider bij de KNVB regio Zeist, later Heuvelrug. En ook secretaris-/penningmeester van het Jeugdplan Nederland, afdeling Utrecht. De eerste jaren dat spelers als Marco van Basten, Edwin Godee, Gerald Vanenburg, Jan-Willem van Ede, Johan van Loen en vele andere op niveau begonnen te voetballen.

Maar waar juist dit hele verhaal om gaat, is dat het toen totaal anders was in de voetbalwereld. Je had toen onderafdelingen, bijvoorbeeld Afdeling Utrecht, dat gevestigd was aan Biltstraat 194 te Utrecht. De Afdeling Utrecht had je ook gewoon reserveklasse met reserve elftallen, maar ook een 2de of 3de klasse met als allerhoogste de Hoofdklasse. De kampioen van de Afdeling Hoofdklasse van Utrecht promoveerde dan naar de grote KNVB. Die KNVB bestond toen uit een 4de, 3de, 2de, 1ste klasse op de zondag. Op de zaterdag was het wel wat minder. Jonathan/DOSC in de grote KNVB, FZO maar in de afdeling. Want het voetbal gebeurde toen toch meestal op zondag. Patria, Saestum en Zeist waren echte grote en belangrijke clubs.  Je kan je het bijna niet voorstellen hoe groot en veel dat voetballen was. Andere sporten kwamen bijna niet aan bod. Of bestonden niet, waren niet populair genoeg.

Na jaren heb ik toen de voetbalsport gedag gezegd. Ik hield mij meer bezig met andere sporten, zoals honkbal, softbal en wielrennen.

De laatste jaren heb ik weer meer interesse gekregen in het voetbal, het amateurvoetbal dan. Natuurlijk bleef ik het betaalde voetbal altijd wel volgen. Ik moest er aan wennen dat het nu even anders in elkaar zit. Voor mij allemaal onbegrijpelijk, Jonathan, FZO, Zeist, DOSC allemaal in dezelfde klasse. Hoe is dat allemaal gekomen? Vragen die ik moet gaan ontdekken, die ik voor mijzelf moet en wil beantwoorden.
 

Bijdrage: 

Reacties

Leuk om te lezen, enige onduidelijkheid: Zeist, dat waren de nogablokken, Patria: de zwartsmoelen (ik speelde er zelf in de jeugd), bij Jonathan was je protestant en bij Seastum katholiek. Ik denk, kan het mis hebben, dat de paarse kleur voor de nogablokken stond, en de zwartsmoelen waren de fabrieksarbeiders???

Het voetballeven van onze columnist in een notendop. Leuk om te lezen! Ik vraag me alleen af of het in die tijd niet een krantenwijk van de Nieuwe Zeister Courant (NZC) betrof, in plaats van het Utrechts Nieuwsblad (UN). Pas in 1992 ging de NZC op in het UN.

De Nieuwe Zeister Courant kwam maar drie keer per week uit, op de maandag, woensdag en vrijdag. Ik liep toen echt wel het UN, want ik moest elke dag lopen.

Voeg een reactie toe

Plain text

  • HTML tags zijn niet toegestaan.
  • Website-adressen en emailadressen worden automatisch omgezet in een link.
  • Regels en paragrafen breken automatisch af.